Reacties op ongenuanceerde negatieve publicaties over windenergie
(Klik hieronder op de interne link om bij de betreffende reactie te komen.)
'Windmolenwaan'
Ingezonden brief op: 'De windmolenwaan' in NRC, Opinie&Debat op
28 augustus 2004.
Omdat de reactie niet is geplaatst ("omdat er al meer reacties waren"),
hierbij alsnog:
In de krant die zo graag 'de nuance zoekt' mag het stuk 'de windmolenwaan'
van Remmerts de Vries niet onbesproken blijven. Want juist die nuance
ontbreekt hier node.
De auteur is tegen windmolens. En waarom? Omdat ze 'ons beroven van de
laatste illusie van ruimte', omdat met windmolens er aan zee 'geen lege
horizon meer overblijft' en omdat Nederland daardoor 'onleefbaar' wordt.
Laten we deze afweging van de auteur eens op zijn nuances bekijken.
Ten eerste is het niet zo dat er 'geen lege horizon meer blijft'. Op
land staat nu 1000 MW windenergie en de overheid wil toe naar 1500 MW,
een beperkte verhoging. Provincies en gemeenten maken ruimtelijke plannen,
waarbij molens geconcentreerd worden in windparken en grote delen van
het land vrij blijven. Op zee beogen we 6000 MW; het windpark bij Egmond
(100 MW) zal net zichtbaar zijn, de rest zal verder weg komen te staan
achter de horizon. En zal met het Egmond-park de 'lege horizon' verdwijnen?
Het park, met een breedte van 3km op een afstand van ruim 10 km, betekent
een gezichthoek van 16o op een horizon van 180o, nog geen 10%, en vormt
hooguit een element aan de horizon.
Ten tweede zetten we die windmolens niet zomaar neer, maar het gaat ergens
om. Terecht signaleert de auteur een innerlijk conflict vanwege een besef
van schone lucht en groene stroom. Met ons energiegebruik belasten we
de atmosfeer, het is niet duurzaam. Daarom hebben we internationaal en
in EU-verband afspraken gemaakt over een klimaatbeleid. Dat doen we uit
solidariteit met volgende generaties, maar ook om 'milieuruimte' te scheppen
voor ontwikkeling elders in de wereld. In China komen er per dag drieduizend
auto's bij en volgens de IEA zal in de komende jaren 80% van de groei
van het energiegebruik in ontwikkelingslanden plaats vinden. We zijn in
het Westen pas geloofwaardig als we zelf ons huiswerk doen en laten zien
dat een duurzame energiehuishouding kan.
Kan het, ten derde, anders, zonder die lelijke windmolens? Getijden-energie
en zonnecellen bieden volgens de auteur uitkomst. Ook hier past echter
de nuance. Getijden-energie in de Noordzee biedt geen soelaas en we moeten
meer dan een miljoen daken van zonnecellen voorzien om de opbrengst van
één windmolen te evenaren. 'There is no free lunch', zelfs
niet bij duurzame energie. Ons energiegebruik is onduurzaam; als we het
niet drastisch willen beperken, dan moeten we duurzame bronnen toepassen
en de bij-effecten voor lief nemen.
De auteur maakt dus een verkeerde afweging. Het gaat niet om 'windmolens
' versus 'een lege horizon'. Het gaat om 'milieuruimte' voor ontwikkelingslanden
en een leefbaar klimaat voor volgende generaties versus een 'klein beetje
minder open ruimte'. Het wordt tijd dat we consequenties van ons onduurzaam
energiegebruik onder ogen zien. En het goede nieuws voor de auteur: de
zaken zijn niet zwart-wit, maar genuanceerder: windmolens en lege horizon
zijn te combineren.
Frans A. van der Loo
Leiden
---
'Windenergie zo gek nog niet'
Reactie van ECN op een ongenuanceerd ingezonden stuk over windenergie
door een LPF-raadslid uit Terneuzen in VNG-Magazine van 14 november 2003.
Deze reactie werd 19 december 2003 geplaatst.
Het bezwaar van Freeke (VNG-magazine dd. 14 11 03) tegen het gebruik
van windenergie voor onze elektriciteitsvoorziening is gebaseerd op twee
punten, namelijk dat de technologie niet geschikt is voor een betrouwbare
stroomvoorziening en dat windelektriciteit zo duur is dat de consument
het vel over de oren wordt getrokken om toch maar schone stroom te kunnen
gebruiken. In deze reactie willen we ingaan op deze twee argumenten en
daarmee aantonen dat windenergie in duurzaamheidsopzicht en in economische
zin zo gek nog niet is.
Allereerst over de technologie. Volgens Freeke wordt een windturbine
boven windkracht 8 uitgeschakeld, terwijl het vermogen daaronder met de
windsnelheid varieert. Juist is, dat een windturbine pas bij windkracht
10 wordt uitgeschakeld en dat het vermogen tussen windkracht 6 en windkracht
10 constant is (dus niet varieert met de windkracht). Alleen tussen windkracht
2 en 6, varieert het vermogen met de windsnelheid. Freeke blijkt dus niet
op de hoogte van de belangrijkste eigenschap van een windturbine: die
tussen het vermogen en de wind.
De windsector is zich er van begin af aan (midden jaren 70) van bewust
dat het vermogen dat geleverd wordt niet momentaan aansluit op de vraag.
Er zijn echter nogal wat oplossingen denkbaar en we mogen bij nieuwe ontwikkelingen
niet bij de eerste de beste tegenslag het bijltje erbij neergooien. Dan
hadden we ons nog steeds met luchtballonnen verplaatst, immers men ging
er lange tijd vanuit dat dingen die zwaarder dan lucht waren, niet kunnen
vliegen. Vliegmachines hadden immers in eerste instantie ook nogal wat
problemen.
De meest directe oplossing bestaat uit het combineren van meerdere energiebronnen.
Bijvoorbeeld de combinatie wind en waterkracht werkt goed. Als het niet
waait komt de energie uit een stuwmeer, als het wel waait uit de turbines.
Ook kunnen een gascentrale en een groot windpark samen garant staan voor
een productie die aansluit op de vraag. In de toekomst kan gedacht worden
aan de combinatie van windenergie en zonne-energie: In de zomer draaien
de airco's op zonne-energie, in de winter branden de lampen op windenergie.
Ook is het een optie om windparken met andere windparken op grote onderlinge
afstanden te combineren: geografische spreiding. Dan wordt het zeer onwaarschijnlijk
dat het niet waait bij alle parken tegelijk. In dit geval dient elektriciteit
over grote afstanden getransporteerd te worden. Niemand zal er overigens
naar streven om alle elektriciteit met windturbines op te wekken, een
aandeel in de productie van enkele tientallen procenten is echter goed
mogelijk.
Freeke komt, nota bene onder de kop Wetenschap, tot de conclusie dat
de ingebruikname van windturbines niet leidt tot een vermindering van
de uitstoot van CO2. Deze conclusie onderbouwt hij niet. De feiten zijn
de volgende: een windturbine produceert in 3 tot 6 maanden alle energie
die nodig was voor zijn productie. Alle windturbines in de wereld samen
produceren inmiddels bijna evenveel als Nederland op jaarbasis aan elektriciteit
consumeert. Dat betekent dat dankzij windenergie nu al vrijwel de volledige
aan elektriciteitsproductie gerelateerde CO2-uitstoot van een land als
Nederland wordt vermeden.
En dan de economische kant. Bij windenergie haalt Freeke er alles bij
om aan te tonen dat windelektriciteit te duur is. Het is naar onze mening
wel correct dat hij alle kosten in rekening brengt, maar dan moet dat
ook consequent bij alle opties gebeuren. Appels met appels vergelijken.
Neem het subsidieverhaal. De stelling van Freeke: "Windmolens zonder
staatssteun onrendabel", is alleen te pruimen als aangetoond wordt
dat de kosten die de staat maakt bij het winnen van stroom uit olie, kolen,
kernenergie, biomassa, waterkracht en zo verder, wezenlijk lager zijn,
dan die voor windenergie. Het op staatskosten opruimen van olie op zee,
de kosten van door vervuiling veroorzaakte ziekten (zie de fijn-stof meldingen
op teletext) of de schade door de aardbevingen door inklinkende gasvelden
dienen dan bij de betreffende energievormen meegerekend te worden. Sommige
mensen vinden zelfs dat ook de kosten van het voeren van een olie-oorlog
moeten worden meegerekend.
Een discussie over hoe de overheidssteun wordt verdeeld over maatschappelijke
sectoren, gaat deze naar de klant of de windturbine eigenaren, is natuurlijk
wel een zeer zinnige. Freeke heeft daar een punt te pakken. Maar dit staat
geheel los van de kwaliteit van windturbines als duurzame energietechnologie.
Jos Beurskens, Gustave Corten, ECN Windenergie
[terug] < > [vervolg]
|